De achtergrond van de Bhagavad-Gita
Bhagavad-gétä—zoals ze is
Door Çré Çrémad A.C. Bhaktivedanta Swami Prabhupäda
Stichter-äcärya van de Internationale Gemeenschap voor Krishna-bewustzijn
De achtergrond van de Bhagavad-gétä
Hoewel wereldwijd gepubliceerd en gelezen als een afzonderlijk boek, verscheen de Bhagavad-gétä oorspronkelijk als een episode in het Mahäbhärata, de epische historie van de oude wereld. Het Mahäbhärata beschrijft gebeurtenissen tot aan het huidige Tijdperk van Kali. Vlak voordat dit tijdperk begon, zo’n vijfduizend jaar geleden, sprak Heer Kåñëa de Bhagavad-gétä tot Zijn vriend en toegewijde, Arjuna.
Hun dialoog—een van de meest verheven filosofische en religieuze dialogen die de mensheid ooit gekend heeft—vond plaats vlak voor het begin van een oorlog, een groot conflict tussen de honderd zonen van Dhåtaräñöra en hun neven, de Päëòava’s, de zonen van Päëòu.
Dhåtaräñöra en Päëòu waren broers binnen de Kuru-dynastie, die afstamde van koning Bharata, die vroeger over de wereld heerste en van wie de naam Mahäbhärata komt. Omdat Dhåtaräñöra, de oudste van de broers, blindgeboren was, werd de troon, die hem anders zou zijn toegekomen, overgedragen aan de jongere broer, Päëòu.
Toen Päëòu op jonge leeftijd stierf, werden zijn vijf kinderen—Yudhiñöhira, Bhéma, Arjuna, Nakula en Sahadeva—onder Dhåtaräñöra’s voogdij geplaatst, die daardoor tijdelijk de koning werd. Zo groeiden de zonen van Dhåtaräñöra en de zonen van Päëòu in hetzelfde vorstenhuis op. Ze werden allemaal opgeleid in de krijgskunst door de bedreven Droëa en kregen onderricht van de gerespecteerde ‘grootvader’ van het geslacht, Bhéñma.
Maar de zonen van Dhåtaräñöra, in het bijzonder de oudste, Duryodhana, hadden een hekel aan de Päëòava’s en waren hen vijandig gezind. En de blinde en zwakke Dhåtaräñöra wilde dat zijn eigen zonen, niet die van Päëòu, het koninkrijk zouden erven. Daarom smeedde Duryodhana, met Dhåtaräñöra’s toestemming, plannen om de jonge zonen van Päëòu te vermoorden en het was enkel dankzij de zorgvuldige bescherming van hun oom, Vidura, en hun neef, Heer Kåñëa, dat de Päëòava’s aan de vele aanslagen op hun leven ontkwamen.
Heer Kåñëa was geen gewoon mens maar de Allerhoogste God Zelf, die naar de aarde was afgedaald en de rol van een prins speelde in een dynastie van die tijd. In deze rol was Hij ook de neef van Päëòu’s vrouw Kunté of Påthä, de moeder van de Päëòava’s. Omdat Hij dus hun familielid was en ook de eeuwige instandhouder van religie, steunde en beschermde Kåñëa de rechtschapen zonen van Päëòu.
Uiteindelijk daagde de sluwe Duryodhana de Päëòava’s echter uit tot een gokspel. Tijdens dat beslissende spel namen Duryodhana en zijn broers de kuise en toegewijde vrouw van de Päëòava’s, Draupadé, in hun bezit en probeerden ze haar te beledigen door haar in het bijzijn van alle aanwezige prinsen en koningen te ontkleden. Ze werd gered door de goddelijke tussenkomst van Kåñëa, maar doordat de Päëòava’s het gokspel, waarmee geknoeid was, verloren, werden ze gedwongen afstand te doen van hun koninkrijk en dertien jaar in ballingschap te leven.
Nadat de Päëòava’s uit ballingschap waren teruggekeerd, vroegen ze Duryodhana om hun rechtmatige koninkrijk, maar die weigerde er botweg afstand van te doen. Omdat ze als prinsen verplicht waren een bestuurlijke functie uit te oefenen, verminderden de vijf Päëòava’s hun verzoek tot slechts vijf dorpen. Maar op een arrogante manier antwoordde Duryodhana hen dat hij ze nog niet eens een oppervlakte land zou geven waarin een speld zou kunnen staan.
Tijdens dit alles waren de Päëòava’s voortdurend verdraagzaam gebleven, maar nu leek oorlog onvermijdelijk. Terwijl de prinsen van de wereld zich verdeelden—sommige kozen partij voor de zonen van Dhåtaräñöra en anderen voor die van de Päëòava’s—besloot Kåñëa niettemin om Zelf als boodschapper van de zonen van Päëòu op te treden en naar het paleis van Dhåtaräñöra te gaan om voor vrede te pleiten. Toen Zijn pleidooi werd afgewezen, was de oorlog zeker.
De Päëòava’s, die mannen van het hoogste morele kaliber waren, erkenden Kåñëa als de Allerhoogste Persoonlijkheid Gods, terwijl de goddeloze zonen van Dhåtaräñöra dat niet konden. Toch bood Kåñëa aan om aan de oorlog deel te nemen overeenkomstig het verlangen van de tegenstanders. Omdat Kåñëa God is, zou Hij persoonlijk niet vechten, maar wie dat verlangde, kon gebruik maken van Zijn leger; de andere partij zou Kåñëa Zelf krijgen, als adviseur en assistent. Duryodhana, het politieke genie, greep naar de gewapende strijdmachten van Kåñëa, terwijl de Päëòava’s even blij waren met Kåñëa Zelf aan hun zijde.
En zo werd Kåñëa de wagenmenner van Arjuna en nam Hij het op Zich de strijdwagen van de legendarische boogschutter te besturen. Dit brengt ons tot het punt waarop de Bhagavad-gétä begint, met de twee legers opgesteld en klaar voor de strijd, terwijl Dhåtaräñöra bezorgd aan zijn secretaris Saïjaya vraagt: ‘Wat deden ze?’
Ten slotte nog enkele woorden over deze vertaling. De meeste vertalers die de Bhagavad-gétä naar het Engels hebben vertaald, hebben geprobeerd Kåñëa als persoon opzij te schuiven om hun eigen inzichten en filosofieen de ruimte te geven. Het Mahäbhärata wordt als onwerkelijke mythologie beschouwd en Kåñëa als een poetisch middel om de ideeen van een of ander anoniem genie te presenteren. Op zijn best wordt Hij als een minder belangrijke historische persoonlijkheid beschouwd. Maar volgens de Gétä zelf is de persoon Kåñëa zowel het doel als het onderwerp van de Bhagavad-gétä.
Deze vertaling en de commentaar erop hebben tot doel de lezer tot Kåñëa te leiden, in plaats van deze bij Hem vandaan te halen. Zo wordt de Bhagavad-gétä volkomen samenhangend en begrijpelijk. Omdat Kåñëa de spreker van de Gétä is en daarnaast ook haar hoogste doel, presenteert de Bhagavad-gétä zoals ze is deze verheven tekst werkelijk in haar eigen woorden.
—De uitgevers
Voorwoord
Oorspronkelijk schreef ik de Bhagavad-gétä zoals ze is in de vorm waarin ze nu gepresenteerd wordt. Toen dit boek voor het eerst gepubliceerd werd, werd het oorspronkelijke manuscript helaas tot minder dan vierhonderd bladzijden teruggebracht, zonder illustraties en zonder uitleg bij de meeste van de oorspronkelijke verzen van de Çrémad Bhagavad-gétä. In al mijn andere boeken—Çrémad-Bhägavatam, Çré Éçopaniñad enz.—is het systeem dat ik de oorspronkelijke Sanskriettekst geef, de transliteratie ervan, de woord-voor-woord-vertalingen van het Sanskriet naar het Engels, de vertalingen en de commentaren. Dit maakt een boek zeer authentiek en wetenschappelijk en maakt de betekenis duidelijk en voor zichzelf sprekend. Ik was daarom niet zo gelukkig toen ik mijn oorspronkelijke manuscript aanzienlijk moest inkorten. Maar later, toen de behoefte aan de Bhagavad-gétä zoals ze is aanmerkelijk toenam, werd ik door vele geleerden en toegewijden gevraagd het boek in haar oorspronkelijke vorm te presenteren. Daarom hebben we nu geprobeerd om het oorspronkelijke manuscript van dit grote boek van kennis met volledige uitleg volgens de paramparä te presenteren, zodat de beweging voor Kåñëa-bewustzijn goed gevestigd kan worden en zich verder kan ontwikkelen.
Onze beweging voor Kåñëa-bewustzijn is authentiek, historisch gezien geautoriseerd, natuurlijk en transcendentaal, omdat ze gebaseerd is op de Bhagavad-gétä zoals ze is. Ze wordt geleidelijk aan de populairste beweging van de hele wereld, vooral onder de jongere generatie. Ook voor de oudere generatie wordt ze steeds interessanter. Oudere heren raken geinteresseerd, zelfs zozeer dat de vaders en grootvaders van mijn discipelen ons aanmoedigen door steunend lid te worden van onze belangrijke gemeenschap, de Internationale Gemeenschap voor Kåñëa-bewustzijn. In Los Angeles kwamen vele vaders en moeders me bezoeken om hun gevoelens van dankbaarheid te uiten voor de leiding die ik over de hele wereld aan de beweging voor Kåñëa-bewustzijn geef. Sommigen van hen zeiden dat de Amerikanen zeer fortuinlijk zijn dat ik de beweging voor Kåñëa-bewustzijn in Amerika begonnen ben. Maar eigenlijk is de oorspronkelijke vader van deze beweging Heer Kåñëa Zelf, omdat ze zeer lang geleden begonnen is maar de menselijke samenleving bereikte via een opeenvolging van discipelen. Als ik in dit verband enige verdienste heb, dan komt mij die niet persoonlijk toe, maar is die te danken aan mijn eeuwige spiritueel leraar Oà Viñëupäda Paramahaàsa Parivräjakäcärya 108 Çré Çrémad Bhaktisiddhänta Sarasvaté Gosvämé Mahäräja Prabhupäda.
Komt mij persoonlijk enige verdienste toe, dan alleen omdat ik geprobeerd heb de Bhagavad-gétä te presenteren zoals ze is, onvervalst. Vóór mijn publicatie van de Bhagavad-gétä zoals ze is werden bijna alle Engelse edities van de Bhagavad-gétä uitgebracht om iemands persoonlijke ambitie te vervullen. Maar met het publiceren van de Bhagavad-gétä zoals ze is proberen wij de missie van de Allerhoogste Persoonlijkheid Gods, Kåñëa, te presenteren. Het is onze taak om het verlangen van Kåñëa te presenteren en niet dat van de een of andere wereldse theoreticus, zoals de politicus, de filosoof of de wetenschapper, omdat zij maar heel weinig kennis hebben over Kåñëa, ondanks al hun andere kennis. Wanneer Kåñëa zegt, man-manä bhava mad-bhakto mad-yäjé mäà namaskuru enz., dan zeggen wij, in tegenstelling tot de zogenaamde geleerden, niet dat Kåñëa van Zijn ziel verschilt. Kåñëa is absoluut en er bestaat geen verschil tussen Kåñëa’s naam, Kåñëa’s gedaante, Kåñëa’s eigenschappen, Kåñëa’s activiteiten van vermaak enz. Deze absolute positie van Kåñëa is moeilijk te begrijpen voor iemand die geen toegewijde van Kåñëa is binnen het paramparä-systeem (de opeenvolging van discipelen). Zogenaamde geleerden, politici, filosofen en swami’s, die geen volmaakte kennis hebben over Kåñëa, proberen Hem over het algemeen te verdrijven of te doden wanneer ze hun commentaren op de Bhagavad-gétä schrijven. Zulk ongezaghebbend commentaar op de Bhagavad-gétä wordt Mäyäväda-bhäñya genoemd en Heer Caitanya heeft ons gewaarschuwd voor deze ongeautoriseerde personen. Heer Caitanya zegt heel duidelijk dat wie de Bhagavad-gétä probeert te begrijpen vanuit het standpunt van de mäyävädé’s, een grote blunder begaat. Het resultaat van zo’n blunder is uiteindelijk dat de misleide student van de Bhagavad-gétä beslist verward raakt op het pad van spirituele bewustwording en niet in staat zal zijn om terug te keren naar huis, terug naar God.
Ons enige doel is deze Bhagavad-gétä zoals ze is te presenteren om de geconditioneerde student tot hetzelfde doel te leiden waarvoor Kåñëa een keer in een dag van Brahmä of eens per 8.600.000.000 jaar naar deze planeet afdaalt. Dit doel wordt vermeld in de Bhagavad-gétä en we moeten het aanvaarden zoals het is; zo niet, dan heeft het geen zin om te proberen de Bhagavad-gétä en haar spreker, Heer Kåñëa, te begrijpen. Heer Kåñëa sprak de Bhagavad-gétä honderden miljoenen jaren geleden voor het eerst tot de zonnegod. We moeten dit feit aanvaarden en het historische belang van de Bhagavad-gétä op gezag van Kåñëa begrijpen, zonder verkeerde interpretatie. Het interpreteren van de Bhagavad-gétä, zonder enige aandacht voor het verlangen van Kåñëa, is de grootste overtreding. Om deze overtreding te vermijden, moet men begrijpen dat de Heer de Allerhoogste Persoonlijkheid Gods is; zo werd Hij ook begrepen door Arjuna, de eerste discipel van Heer Kåñëa. Zo’n begrip van de Bhagavad-gétä is werkelijk waardevol en heeft gezag voor het welzijn van de menselijke samenleving in het verwezenlijken van het doel van het leven.
De beweging voor Kåñëa-bewustzijn is van essentieel belang voor de menselijke samenleving, omdat ze de hoogste volmaaktheid van het leven biedt. Waarom dit zo is, wordt volledig uitgelegd in de Bhagavad-gétä. Helaas hebben wereldse ruziezoekers misbruik gemaakt van de Bhagavad-gétä om hun demonische neigingen op te dringen en om de mensen te misleiden wat betreft het juiste begrip van de eenvoudige principes van het leven. Iedereen moet weten hoe God, Kåñëa, groot is, en iedereen moet weten wat de feitelijke positie van het levend wezen is. Iedereen moet weten dat het levend wezen eeuwig een dienaar is en dat als men Kåñëa niet dient, men in verschillende variaties van de drie hoedanigheden van de materiele natuur de illusie moet dienen, met als gevolg dat men onophoudelijk moet rondreizen in de kringloop van geboorte en dood. Zelfs de zogenaamd bevrijde mäyävädé-filosoof moet dit proces ondergaan. Deze kennis vormt een grote wetenschap en ieder levend wezen moet ze voor zijn eigen bestwil horen.
Over het algemeen zijn mensen, vooral in dit Tijdperk van Kali, bekoord door de externe energie van Kåñëa en hebben ze het verkeerde idee dat het bevorderen van materieel comfort ieder mens gelukkig zal maken. Ze hebben geen kennis van het feit dat de materiele of externe natuur erg sterk is, omdat iedereen stevig gebonden is door de strenge wetten van de materiele natuur. Een levend wezen is gelukkig in zijn positie als een integrerend deeltje van de Heer en daarom is het bewijzen van rechtstreekse dienst aan de Heer zijn natuurlijke functie. In de ban van illusie proberen we gelukkig te worden door onze eigen zintuigen te dienen door deze op verschillende manieren te bevredigen; geen van deze manieren zal ons echter ooit gelukkig maken. In plaats van onze eigen materiele zintuigen te bevredigen, moeten we de zintuigen van de Heer bevredigen. Dat is de hoogste volmaaktheid van het leven. De Heer wil dit en eist het. We moeten deze boodschap, die centraal staat in de Bhagavad-gétä, goed begrijpen. Onze beweging voor Kåñëa-bewustzijn onderwijst de hele wereld deze centrale boodschap en omdat we het thema van de Bhagavad-gétä zoals ze is niet schenden, zou iedereen die er daadwerkelijk in geinteresseerd is om vooruitgang te maken door het bestuderen van de Bhagavad-gétä, hulp moeten zoeken bij de beweging voor Kåñëa-bewustzijn voor een praktisch begrip van de Bhagavad-gétä onder de rechtstreekse leiding van de Heer. We hopen daarom dat mensen zich het hoogste voordeel zullen doen door de Bhagavad-gétä zoals ze is te bestuderen zoals we die hier gepresenteerd hebben, en zelfs al wordt er maar een van hen een zuivere toegewijde van de Heer, dan zullen we onze poging als een succes beschouwen.
[Handtekening]
A.C. Bhaktivedanta Swami
12 Mei 1971
Sydney, Australie
|