LISTEN TO SRILA PRABHUPADA LECTURES LISTEN TO NAVA YOGENDRA MAHARAJ science from vedic viewpoint English version Nederlandse Versie radheradhe.com Bhajan Kirtan Videofilm Homepage

Back tohomepage Back tohomepage

Chapter 16: The Divine And Demoniac Natures

Hoofdstuk 16 . De goddelijke en de demonische eigenschappen

 

Listen to complete chapter 16

Listen to Sloka 1-3

śrī-bhagavān uvāca

abhayaḿ sattva-saḿśuddhir jñāna-yoga-vyavasthitiḥ

dānaḿ damaś ca yajñaś ca svādhyāyas tapa ārjavam

  ahiḿsā satyam akrodhas tyāgaḥ śāntir apaiśunam

dayā bhūteṣv aloluptvaḿ mārdavaḿ hrīr acāpalam

tejaḥ kṣamā dhṛtiḥ śaucam adroho nātimānitā

bhavanti saḿpadaḿ daivīm abhijātasya bhārata

De Allerhoogste Persoonlijkheid Gods zei: Onbevreesdheid; het zuiveren van je bestaan; het cultiveren van spirituele kennis; vrijgevigheid; zelfbeheersing; het brengen van offers; het bestuderen van de veda’s; het beoefenen van ascese; eenvoud; geweldloosheid; waarheidlievendheid; vrij zijn van woede; onthechting; kalmte; afkeer van onnodig kritiseren; mededogen voor alle levende wezens; vrij zijn van hebzucht; vriendelijkheid; bescheidenheid; vastberadenheid; vitaliteit; vergevensgezindheid; standvastigheid; reinheid en vrij zijn van vijandigheid en eerzucht—deze transcendentale eigenschappen, o afstammeling van Bharata, treft men aan bij goddelijke mensen begiftigd met een spirituele aard.

The Supreme Personality of Godhead said: Fearlessness; purification of one's existence; cultivation of spiritual knowledge; charity; self-control; performance of sacrifice; study of the Vedas; austerity; simplicity; nonviolence; truthfulness; freedom from anger; renunciation; tranquility; aversion to faultfinding; compassion for all living entities; freedom from covetousness; gentleness; modesty; steady determination; vigor; forgiveness; fortitude; cleanliness; and freedom from envy and from the passion for honor — these transcendental qualities, O son of Bharata, belong to godly men endowed with divine nature.  

Listen to Sloka 4

dambho darpo’timānaś ca krodhaḥ pāruṣyam eva ca

ajñānaḿ cābhijātasya pārtha saḿpadam āsurīm

Trots, arrogantie, eigenwaan, woede, ruwheid en onwetendheid—dit zijn de eigenschappen van degenen met een demonische aard, o zoon van Pṛthā..

Pride, arrogance, conceit, anger, harshness and ignorance — these qualities belong to those of demoniac nature, O son of Pṛthā.  

Listen to Sloka 5

daivī saḿpad vimokṣāya nibandhāyāsurī matā

mā śucaḥ saḿpadaḿ daivīm abhijāto’si pāṇḍava

De transcendentale eigenschappen zijn bevorderlijk voor bevrijding, terwijl de demonische eigenschappen tot gebondenheid leiden. Maak je geen zorgen, o zoon van Pāṇḍu, want jij bent geboren met de goddelijke eigenschappen..

The transcendental qualities are conducive to liberation, whereas the demoniac qualities make for bondage. Do not worry, O son of Pāṇḍu, for you are born with the divine qualities.  

Listen to Sloka 6

dvau bhūta-sargau loke’smin daiva āsura eva ca

daivo vistaraśaḥ prokta āsuraḿ pārtha me śṛṇu

O zoon van Pṛthā, in deze wereld zijn er twee soorten geschapen wezens. De ene soort wordt goddelijk genoemd en de andere demonisch. Ik heb je al uitvoerig uitgelegd wat de goddelijke eigenschappen zijn. Hoor nu van Mij over de demonische.

O son of Pṛthā, in this world there are two kinds of created beings. One is called the divine and the other demoniac. I have already explained to you at length the divine qualities. Now hear from Me of the demoniac.  

Listen to Sloka 7

pravṛttiḿ ca nivṛttiḿ ca janā na vidur āsurāḥ

na śaucaḿ nāpi cācāro na satyaḿ teṣu vidyate

Zij die demonisch zijn, weten niet wat wel en wat niet gedaan moet worden. Ze zijn onrein en goed gedrag of waarheidlievendheid zijn in hen niet aan te treffen.

  Those who are demoniac do not know what is to be done and what is not to be done. Neither cleanliness nor proper behavior nor truth is found in them.

Listen to Sloka 8

asatyam apratiṣṭhaḿ te jagad āhur anīśvaram

aparaspara-saḿbhūtaḿ kim anyat kāma-haitukam

Ze zeggen dat deze wereld onwerkelijk is, geen fundament heeft en dat er geen God is die hem bestuurt. Ze zeggen dat de wereld voortkomt uit seksueel verlangen en geen andere oorzaak heeft dan lust.

They say that this world is unreal, with no foundation, no God in control. They say it is produced of sex desire and has no cause other than lust.

Listen to Sloka 9

etāḿ dṛṣṭim avaṣṭabhya naṣṭātmāno’lpa-buddhayaḥ

prabhavanty ugra-karmāṇaḥ kṣayāya jagato’hitāḥ

Overtuigd van zulke opvattingen wijden de demonen, die zichzelf verloren hebben en geen intelligentie bezitten, zich aan rampzalige, gruwelijke werken, die bedoeld zijn om de wereld te vernietigen.

Following such conclusions, the demoniac, who are lost to themselves and who have no intelligence, engage in unbeneficial, horrible works meant to destroy the world.  

Listen to Sloka 10

kāmam āśritya duṣpūraḿ dambha-māna-madānvitāḥ

mohād gṛhītvāsad-grāhān pravartante’śucivratāḥ

Door hun toevlucht te nemen tot onverzadigbare lust en vervuld te zijn van verwaandheid, trots en hoogmoed, houden de demonen, die op die manier in illusie zijn, zich altijd bezig met onzuivere activiteiten, omdat ze aangetrokken zijn tot het tijdelijke.

Taking shelter of insatiable lust and absorbed in the conceit of pride and false prestige, the demoniac, thus illusioned, are always sworn to unclean work, attracted by the impermanent.  

Listen to Sloka 11-12

cintām aparimeyāḿ ca pralayāntām upāśritāḥ

kāmopabhoga-paramā etāvad iti niścitāḥ  

āśā-pāśa-śatair baddhāḥ kāma-krodha-parāyaṇāḥ

īhante kāma-bhogārtham anyāyenārtha-saḿcayān

Ze zijn ervan overtuigd dat het bevredigen van de zintuigen het voornaamste doel van de menselijke beschaving is. Zo ervaren ze tot aan het einde van hun leven enorme angst en bezorgdheid. Verstrikt in een net van honderdduizenden verlangens en vervuld van lust en woede, proberen ze op onwettige wijze rijkdom te bemachtigen voor hun zinsbevrediging.

  They believe that to gratify the senses is the prime necessity of human civilization. Thus until the end of life their anxiety is immeasurable. Bound by a network of hundreds of thousands of desires and absorbed in lust and anger, they secure money by illegal means for sense gratification.

Listen to Sloka 13-15

idam adya mayā labdham idaḿ prāpsye manoratham

idam astīdam api me bhaviṣyati punar dhanam  

asau mayā hataḥ śatrur haniṣye cāparān api

īśvaro’ham ahaḿ bhogī siddho’haḿ balavān sukhī  

āḍhyo’bhijanavān asmi ko’nyo’sti sadṛśo mayā

yakṣye dāsyāmi modiṣya ity ajñāna-vimohitāḥ

Een demonisch persoon denkt: ‘Vandaag is dit mijn rijkdom, maar door mijn sluwe plannen zal ik meer bemachtigen. Zoveel heb ik nu, maar dat zal in de toekomst meer worden, en meer. Hij is mijn vijand, maar ik heb hem gedood en al mijn andere vijanden zullen ook gedood worden. Ik ben heer van alles. Ik ben de genieter. Ik ben volmaakt, machtig en gelukkig. Ik ben de rijkste man, omringd door aristocratische familieleden. Niemand is zo machtig en gelukkig als ik. Ik zal offers brengen, ik zal schenkingen doen en zo zal ik genieten.’ Op die manier worden zulke personen misleid door onwetendheid.

 The demoniac person thinks) "So much wealth do I have today, and I will gain more according to my schemes. So much is mine now, and it will increase in the future, more and more. He is my enemy, and I have killed him, and my other enemies will also be killed. I am the lord of everything. I am the enjoyer. I am perfect, powerful and happy. I am the richest man, surrounded by aristocratic relatives. There is none so powerful and happy as I am. I shall perform sacrifices, I shall give some charity, and thus I shall rejoice." In this way, such persons are deluded by ignorance.

Listen to Sloka 16

aneka-citta-vibhrāntā moha-jāla-samāvṛtāḥ

prasaktāḥ kāma-bhogeṣu patanti narake’śucau

Zo door talloze angsten verbijsterd en verstrikt in een netwerk van illusies, raken ze te sterk gehecht aan zinsbevrediging en zakken ze af naar de hel.

  Thus perplexed by various anxieties and bound by a network of illusions, they become too strongly attached to sense enjoyment and fall down into hell.

Listen to Sloka 17

ātma-saḿbhāvitāḥ stabdhā dhana-māna-madānvitāḥ

yajante nāma-yajñais te dambhenāvidhi-pūrvakam

Zelfingenomen als ze zijn en altijd onbeschaamd, misleid door rijkdom en hoogmoed, brengen ze soms vol trots offers. Maar die offers zijn alleen iets in naam, omdat ze worden gebracht zonder de regels en bepalingen te volgen.

Self-complacent and always impudent, deluded by wealth and false prestige, they sometimes proudly perform sacrifices in name only, without following any rules or regulations.  

Listen to Sloka 18

ahaḿkāraḿ balaḿ darpaḿ kāmaḿ krodhaḿ ca saḿśritāḥ

mām ātma-para-deheṣu pradviṣanto’bhyasūyakāḥ

Verward als ze zijn door hun vals ego, kracht, trots, lust en woede, staan de demonen vijandig tegenover de Allerhoogste Persoonlijkheid Gods, die Zich zowel in hun eigen lichaam als in dat van anderen bevindt, en belasteren ze de ware religie.

  Bewildered by false ego, strength, pride, lust and anger, the demons become envious of the Supreme Personality of Godhead, who is situated in their own bodies and in the bodies of others, and blaspheme against the real religion.

Listen to Sloka 19

tān ahaḿ dviṣataḥ krūrān saḿsāreṣu narādhamān

kṣipāmy ajasram aśubhān āsurīṣv eva yoniṣu

Zij die haatdragend en wreed zijn, de laagsten onder de mensen, werp Ik onophoudelijk in de oceaan van het materiele bestaan, in allerlei demonische levensvormen.

Those who are envious and mischievous, who are the lowest among men, I perpetually cast into the ocean of material existence, into various demoniac species of life.  

Listen to Sloka 20

āsurīḿ yonim āpannā mūḍhā janmani janmani

mām aprāpyaiva kaunteya tato yānty adhamāḿ gatim

Omdat ze herhaaldelijk in demonische levensvormen geboren worden, o zoon van Kunté, kunnen zulke personen Me nooit benaderen. Geleidelijk aan dalen ze af tot het meest verachtelijke bestaan.

  Attaining repeated birth amongst the species of demoniac life, O son of Kuntī, such persons can never approach Me. Gradually they sink down to the most abominable type of existence.

Listen to Sloka 21

tri-vidhaḿ narakasyedaḿ dvāraḿ nāśanam ātmanaḥ

kāmaḥ krodhas tathā lobhas tasmād etat trayaḿ tyajet

Er zijn drie poorten die tot deze hel leiden: lust, woede en hebzucht. Ieder verstandig mens moet deze drie opgeven, omdat ze tot de degradatie van de ziel leiden.

  There are three gates leading to this hell — lust, anger and greed. Every sane man should give these up, for they lead to the degradation of the soul.

Listen to Sloka 22

etair vimuktaḥ kaunteya tamo-dvārais tribhir naraḥ

ācaraty ātmanaḥ śreyas tato yāti parāḿ gatim

Wie aan deze drie poorten van de hel ontkomen is, o zoon van Kunté, verricht activiteiten die bevorderlijk zijn voor zelfrealisatie; zo bereikt hij geleidelijk aan de allerhoogste bestemming.

  The man who has escaped these three gates of hell, O son of Kuntī, performs acts conducive to self-realization and thus gradually attains the supreme destination.

Listen to Sloka 23

yaḥ śāstra-vidhim utsṛjya vartate kāma-kārataḥ

na sa siddhim avāpnoti na sukhaḿ na parāḿ gatim

Hij die de bepalingen van de geschriften verwerpt en vanuit zijn eigen verlangens handelt, wordt niet gelukkig en bereikt noch de volmaaktheid, noch de allerhoogste bestemming.

He who discards scriptural injunctions and acts according to his own whims attains neither perfection, nor happiness, nor the supreme destination.

Listen to Sloka 24

tasmāc chāstraḿ pramāṇaḿ te kāryākārya-vyavasthitau

jñātvā śāstra-vidhānoktaḿ karma kartum ihārhasi

Men moet daarom begrijpen wat volgens de regels in de geschriften wel en wat niet iemands plicht is. Wanneer men deze regels en bepalingen kent, moet men op zo’n manier handelen dat men geleidelijk aan verheven wordt.

 One should therefore understand what is duty and what is not duty by the regulations of the scriptures. Knowing such rules and regulations, one should act so that he may gradually be elevated.

End Chapter 16: The Divine And Demoniac Natures

Einde hoofdstuk 16 . De goddelijke en de demonische eigenschappen 

 

Bhagavad-Gieta as it is. Chapter 17 Bhagavad-Gieta as it is. Chapter 18 Bhagavad-Gieta as it is. Chapter 16 Bhagavad-Gita as it is. Chapter 14 Bhagavad-Gieta as it is. Bhagavad-Gita as it is. Chapter 09 Bhagavad-Gieta as it is. Chapter 10 Bhagavad-Gieta as it is. Chapter 11 Bhagavad-Gieta as it is. Chapter 12 Bhagavad-Gieta as it is. Chapter 13 Bhagavad-Gieta as it is.Chapter 01 Bhagavad-Gieta as it is. Chapter 03 Bhagavad-Gieta as it is. Chapter 04 Bhagavad-Gieta as it is. Chapter 05 Bhagavad-Gieta as it is. Chapter 06 Bhagavad-Gieta as it is. Chapter 07 Bhagavad-Gieta as it is. Chapter 02 Bhagavad-Gieta as it is. Chapter 08